een tweetal kinderen (tweetal A) speelt het duel 1 tegen 1;
een tweetal kinderen (tweetal B) gaat pion schieten;
Alle spullen die niet nodig zijn voor het slotspel 5 tegen 4 worden weggehaald. De trainer deelt de teams in.
Speelduur: 20-25 minuten.
Het tijdschema is scherp gesteld. Het realiseren van dit schema veronderstelt een vlotte organisatie met snelle overgangen tussen activiteiten. De kinderen moeten gewend zijn aan de organisatievorm wil het lukken binnen de gestelde tijd.
De kinderen vinden het partijtje aan het eind leuk en er valt ook veel in te leren. Van de tijd voor dat wedstrijdje moet niets worden afgesnoept. Het is mogelijk tien minuten als maximale tijd te nemen voor een ronde bij het circuitmodel, inclusief wisselen. Het pion schieten stopt onafhankelijk van het aantal beurten dat de spelers hebben gehad. Of je kiest er als trainer voor de vierde ronde te laten vallen. Dat vinden de kinderen niet altijd fijn, maar het lokkende partijtje vergoedt veel…
Circuittraining (1)
De organisatie van de training
-
Vervolgens worden de andere materialen neergezet. Zie hiervoor het totaaloverzicht en de situatieschetsen plus de beschrijvingen bij de afzonderlijke situaties. In het totaaloverzicht zie je het pion schieten aan de linkerkant, onder het veldje voor het duel 1 tegen 1.Van de trainer wordt verwacht dat hij ruim van tevoren aanwezig is en de voor de activiteiten benodigde veldjes uitzet en de materialen op hun plek legt. Dat uitzetten kost al gauw een kwartier tijd. Vaak zijn er kinderen die al vroeg naar de training komen en de trainer kunnen (en graag willen!) helpen. De trainer moet er naar streven zeker tien minuten voor het begin van de training klaar te zijn met het neerzetten van de situaties. Hij kan dan de overige kinderen opvangen, een praatje met hen maken of hun stimuleren dat ze op de een of andere manier al gaan voetballen.
Het uitzetten van de veldjes en het neerzetten van de materialen kan op een bepaalde vaste manier worden gedaan:
- Uiteraard kunnen de verschillende situaties ook op afzonderlijke plekken worden uitgezet. Er is dan meer ruimte nodig, er moeten meer lijnen worden gemaakt en de situaties komen soms verder uit elkaar te staan. Dat betekent voor de trainer dat hij minder snel van de ene activiteit naar de andere kan gaan. De ‘compacte’ situering van de activiteiten is wellicht nog belangrijker vanwege de binding die in zekere mate wordt gecreëerd tussen kinderen die op diverse veldjes aan de gang zijn. Bij zo een kleine groep kan dat belangrijk zijn.
In het verloop van de training worden waar nodig voor een vervolg materialen verplaatst of weggenomen. In de planning van de training wordt geprobeerd te zorgen voor zo min mogelijk verplaatsingen van materiaal, zodat daar weinig tijd aan verloren gaat. Kost het verplaatsen van materiaal toch enige tijd, dan kunnen de kinderen een opdracht krijgen, bijvoorbeeld: ‘Probeer je record hooghouden te verbeteren’. Elke speler heeft een bal. Kinderen mogen kiezen voor hooghouden met of zonder stuit. Als de trainer klaar is, moet hij vragen naar de resultaten.
-
Het weghalen van materiaal (in deze training vooral bij de overgang naar de wedstrijd 5 tegen 4) kan snel gebeuren, zeker als de kinderen daarbij helpen. Het materiaal wordt op een bepaalde plek verzameld. Aan het einde van de training hoeven er dan niet meer zoveel spullen van het veld worden gehaald.
Na een korte terugblik op de training (wat vonden de kinderen ervan?) en misschien wat informatie over de wedstrijd op zaterdag, nemen de kinderen alle spullen mee naar het materiaalhok. Iedereen helpt mee.
Eerst wordt het veld voor de laatste activiteit (deze training: 5 tegen 4) gemaakt. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van aanwezige lijnen van het trainingsveld. Zo zou lijn A een zijlijn kunnen zijn en lijn B een achterlijn. De lijnen C en D kunnen met markeringsdoppen worden gemaakt, bijvoorbeeld door om de vijf meter een dop neer te leggen.
-
Binnen de rechthoek die gecreëerd is, worden de overige ‘belijningen’ aangebracht, weer met markeringsdoppen (zie tekening). Nu is er een veldje voor het overloopspel (tevens voor het duel 1 tegen 1) linksboven in de tekening en een veldje voor het wedstrijdje 3 tegen 2 aan de rechterzijde van de tekening.
-
Rechts naast dit laatste veldje is een strook van drie meter. Dit is straks het vrije gebied voor de verdedigers bij het spel 5 tegen 4.

Circuittraining (2)
Het trainingsverloop kan er als volgt uit zien:
- overloopspel: 10 minuten
- circuitgedeelte:
1e ronde: 2e ronde:
De tweetallen A en B wisselen van situatie. De vijf kinderen bij het wedstrijdje 3 tegen 2 blijven dat spel doen. Beide ronden totdat het pion schieten klaar is. Elke ronde duurt tien minuten.
Als er een drietal is gevormd, duurt het pion schieten langer. Bij het duel 1 tegen 1 gaat steeds een andere speler aan de kant.
3e ronde:
De tweetallen A en B gaan het wedstrijdje 3 tegen 2 spelen. Mogelijk blijft één van de vijf spelers die in de eerste ronden 3 tegen 2 heeft gespeeld, bij deze activiteit staan. De vier overige spelers gaan als twee tweetallen (C en D) naar het duel 1 tegen 1, respectievelijk naar het pion schieten .
Een andere optie is dat de trainer als partijongebonden speler bij 3 tegen 2 mee gaat spelen. De vijf spelers die in de eerste ronden 3 tegen 2 hebben gespeeld, verdelen zich als drietal en tweetal over het duel 1 tegen 1 en het pion schieten (tweetal C en drietal D)4e ronde:
C en D wisselen van activiteit. De spelers op het 3 tegen 2-veldje spelen door.Opmerkingen:vijf kinderen spelen het wedstrijdje 3 tegen 2.