Opbouwen 1
Training
Hoofdmoment:
balbezit
Teamfunctie:
opbouwen
Speelveldgedeelte:
eigen helft tot 16 metergebied
Spelbedoeling:
opbouwen om kansen te creëren
Doelstelling:
het verbeteren van de opbouw vanaf de eigen helft waarbij de samenwerking om de dieptepass gespeeld te krijgen centraal staat.
T - balsnelheid inspeelpass, wreeftrap, balaanname
I - veldbezetting (onderlinge afstanden) in stand houden/moment van diepspelen (onderlinge afstemming)
C - non-verbaal door middel van loopacties zonder bal. Verbaal aangeven waar en hoe je de bal wilt krijgen, afstemmen van de loopacties van 10 en 9
Opbouwen 2
Spelers van 10 jaar
De keeper speelt samen met de spelers 3, 4, 10, 9 (kaatser in de diepte) en de spelers 2 en 5 (twee kaatsers aan de buitenkant). In principe speel je op dat moment 7 : 4. Wanneer de aanvallers aan de bal zijn, speel je 6 : 3. De vier aanvallers in het vak en de kaatsers 2 en 5.
De keeper heeft een eigen zone die pas betreden mag worden door de aanvallers als hij de bal in ontvangst heeft genomen. De principes van de opbouw komen in dit positiespel voor: de kaatsers 2 en 5 lopen iets hoger, speler 3 en 4 gaan uit elkaar. De keeper kan ook diep openen op speler 10 of kaatser 9.
Je kunt deze vorm ook uitbouwen met speler 6 en 8, afhankelijk van wat je doel is van de training.
- Scoren door verdedigers: vanuit de positie van de keeper rechtstreeks of onrechtstreeks zonder balverlies openen naar de andere kant levert 1 punt op.
- Scoren door aanvallers: vanuit de positie van de ene kaatser, rechtstreeks of onrechtstreeks openen naar de andere kaatser levert 1 punt op.
- De plaats van het positiespel is heel belangrijk: kies voor een strook van in het zestienmetergebied tot aan de middenlijn. Dit is herkenbaar voor de spelers. De breedte is ongeveer 20 – 25 meter.
Spelers van 10 – 14 jaar
Spelers worden in België op nationaal niveau vanaf 10 jaar met 11 : 11 geconfronteerd. In de praktijk betekent dat de weerstanden een andere invulling krijgen. Meer medespelers en tegenstanders, grotere ruimtes zorgen ervoor de spelers zich zullen moeten aanpassen aan de nieuwe wedstrijdweerstanden. De kleinere reikwijdte heeft consequenties voor het spel. De opbouw verloopt vaak kort via de verdedigers of de middenvelders. Vanaf de C-jeugd hebben de spelers meer fysieke mogelijkheden en dat zorgt voor meer variatiemogelijkheden in de opbouw. Alleen dient de C-trainer er goed over te waken dat er niet te vaak wordt gekozen voor een lange bal.
Coachingsaccenten
- zoals aangegeven gaan de kaatsers 2 en 5 opengedraaid staan en gaan ze vervolgens hoger staan.
- speler 3 en 4 staan open en maken zich aanspeelbaar. De basisprincipes zijn dezelfde zoals vooraf aangegeven.
Opbouw vanuit het centrum
Van 1+4:3 naar 1+9:7+1
In een afgebakende ruimte speelt men met 1 keeper en 4 spelers tegen 3 verdedigers (vaste posities).
Naargelang het niveau van de spelers:
vrij spel
vrij spel voor drietal/beperkt aantal balcontacten voor keeper en viertal
Taken drietal:
bal veroveren
proberen te scoren in het doel
Taken keeper en viertal:
bal houden op de respectievelijke posities
vrije man proberen aan te spelen
juiste moment afwachten en kiezen om aanvalsbeweging op gang te brengen en uit de speloppervlakte uit te breken
Mogelijkheden
aanspelen van speler 7, 9 of 11 in de voeten (afhaken na vooractie) of in de ruimte (diep of breed gaan na vooractie)
Verder verloop
Als de bal de afgebakende speloppervlakte verlaat, wordt een ‘klassieke’ wedstrijdvorm van 1 + 9:7 + 1 gespeeld
Na iedere doelpoging wordt het spel in het afgebakende speloppervlakte hervat
Variaties
In grote ruimte afwerken op de tijd, dus zonder druk
Aantal balcontacten van de spelvorm beperken