spacer
spacer
  Minimaliseren

spacer
spacer
spacer
spacer
Passen/Trappen Minimaliseren

 

Passen en trappen 1

Organisatie
 speler A passt de bal naar speler B
 speler B legt de bal, na een vooractie, breed op de inkomende speler A
 speler C maakt een vooractie en ontvangt de bal van speler A
 speler C legt de bal breed voor de inkomende speler B
 speler B passt de bal naar speler D
 speler D passt de bal naar de inkomende speler C
 deze passt de bal naar speler E
 speler E legt de bal terug op de inkomende speler D en deze passt de bal naar speler F

Organisatie
 deze spelvorm heeft géén vast patroon
 een speler moet keuzes maken in wie hij aanspeelt
 soms slaat een speler een station over
 balaanname mag
 de spelers moeten diepte zien, voorbereidend bezig zijn
 voorwaarden scheppen, situaties herkennen, 2e loopactie
 oplossing leg je in je manier van inpassen
 de spelers draaien steeds een positie door (A t/m F)

Organisatie
 speelveld  van 15 x 30 meter
 de spelers in het veld mógen de bal maximaal 2x raken
 de kaatsers moeten de bal direct spelen
 de speler die de kaatser inspeelt neemt zijn positie over
 de kaatsers zijn verplicht de ‘3e man’ in te spelen
 een kaatser mag niet naar een kaatser spelen
 12 passes is een score
Variatie
 verplicht direct spel
 kaatser naar kaatser mag
 de keeper als kaatser meedoen in het spel
 

 
Passen en trappen 2

Conditionele doelstelling
 in de voorbereidende periode
 extensieve duurtraining of extensieve intervaltraining
 later in het seizoen: herhaald kort sprintvermogen
 - de acties zijn dan fel
 - rustig lopen van station naar station
Bij herhaald kort sprintvermogen
 Arbeid = 1-2 sec. 
 Intensiteit = 100% 
 Herhalingen 6-10     Rust tussen de herhalingen = 10 sec.
 Series = 2-4         Rust tussen de series = 4 -6 min.
(1 serie is 2 rondes van een speler)
 
Organisatie
 veldgrootte: (2/3 speelveld) 65 meter bij 55 meter
 20 ballen
 één groot doel  
 7 pionnen
 speelduur 25 tot 30 minuten
 bij beginsituatie het startpunt met 10 spelers bezetten, de stations 2 t/m 7 met twee spelers bezetten
 de spelers schuiven steeds een positie door
 de twee keepers wisselen om de 2 à 3 ballen
 balschema: 1-2-3-4-3-5-6-7-afronden
 roulatieverloop: 1-2-3-4-5-6-7-1
 
Uitleg
 speler 1 dribbelt om de pion heen (1a) en passt naar (1b) speler 2
 speler 2 maakt een vooractie (2a), neemt aan en dribbelt richting zijlijn (2b) en passt (2c) naar speler 3
 speler 3 maakt na een vooractie de loopactie naar buiten (3a), neemt de bal ingedraaid aan en dribbelt naar binnen (3b), geeft vervolgens een pass (3c) op
 speler 4 die een vooractie heeft gemaakt (4a) en daarna een pass geeft (4b) op de inkomende speler 3 (3d) die samen een 1:2-combinatie aangaan, vervolgens geeft speler 3 een pass (4c) naar de
 opkomende speler 5 (5a), die vervolgens een pass geeft (5b) naar
 speler 6, die breed is weggelopen (6a) en vervolgens aanneemt en dribbelt richting achterlijn (6b) en dan de keuze heeft uit
 via een pass (6c) het aanspelen van speler 7 die vervolgens afwerkt op doel (7a) of
 een voorzet geeft (6d) op de inkomende speler 7 (7b), die daarna afwerkt op doel (7c)
 
Coachmomenten
Algemeen
 alle handelingen zorgvuldig en technisch juist uitvoeren
 juiste timing en afstemming door middel van contact zoeken
Ontvanger:
  iet zomaar om de bal vragen, wel loskomen en aangeven hoe en wanneer de bal gespeeld moet worden. Intentie aangeven!
 effectieve aanname
 bal snel speelklaar
Passgever:
 de bal onder controle houden en zoveel mogelijk speelklaar
 met juiste intentie pass geven
Specifiek
 speler 2 moet bij de balaanname versnellen en in de diepte kijken (eventueel een verdediger in de rug zodat speler 3 hierop moet anticiperen en dus zijn manier van aanbieden zal moeten aanpassen
 speler 3 moet aan de buitenkant uitkomen met zijn gezicht naar binnen zodat de balaanname snel gevolgd kan worden door een dribbel
 speler 6 moet ‘buitenspel’ ontwijken en tijdens het dribbelen moet hij kijken naar speler 7 om te weten hoe hij deze de bal moet aanspelen
 speler 7 moet willen scoren, ook in de rebound
Varianten
In de voorbereidingsperiode (A) liggen de coachingsaccenten anders dan in bijvoorbeeld de wedstrijdperiode (B)
A:
 rustige coaching
 bal met binnenkant en strakke voet spelen
 contact zoeken, intenties afstemmen
 regelmatig kort onderbreken
A en B:
 improviseren als er iets mis gaat, niet stoppen! De dan meest logische voortzetting spelen
B:
 felle coaching
  adruk op effectief en snel handelen
 weinig onderbreken, begeleidend coachen
 de onderbreking is lang - zie rust tussen de series
Afdrukken  
spacer
spacer
Copyright 2010 Jeugdvoetbalopleiding.nl
|