Passeerbeweging 1
Doel
inslijpen van vijf passeerbewegingen met de tegenstander vóór je
Organisatie
vier tweetallen
iedereen een bal
ieder tweetal staat ongeveer vier meter uit elkaar met een hoedje in het midden
je gebruikt een hoedje om de spelers direct ook gevoel voor afstand te geven bij de beweging: wanneer moet je de beweging inzetten om ergens uit te komen?
Inhoud
vijf bewegingen:
- sleep (Matthews): dreigen met binnenkant voet en dan meenemen met dezelfde buitenkant voet de andere kant op
- sleep met schaar
- dubbele schaar
- enkele zijstap: schuin zijwaarts uitstappen achter de bal en dan met de andere buitenkant voet meenemen
- dubbele zijstap
je zoekt je medespeler op en maakt op tijd de passeerbeweging
zorg dat je allebei de andere kant op gaat, anders bots je
Methodiek
de trainer geeft eerst het goede voorbeeld of laat dit doen door een speler
steeds meer eisen van de spelers: hoger tempo, explosievere na-actie
afstand groter
combinatie van alle bewegingen
Coaching
overtuiging
-‘Maak de beweging met overtuiging! Wees zeker van jezelf. Dit verbetert door alsmaar te oefenen.’
explosief
-‘Zorg dat je explosief wegstart als je de beweging hebt ingezet. Maak de beweging goed af. Pats!’
in de knieën
-‘Zit laag in de knieën. Rechts links rechts én weg!’
Variatie
per tweetal één bal, aanvallende en ‘verdedigende’ taak afwisselen
René Meulensteen: “Er is een verschil tussen de schaar om de bal heen en de ‘zijstap’. Als de spelers jong zijn, leer je hun alle bewegingen aan. Hoe ouder ze worden, des te meer voorkeur zullen ze ontwikkelen voor bepaalde bewegingen. De schaar en de zijstap achter de bal liggen heel dicht tegen elkaar aan. Met een schaar ga je helemaal om de bal heen, terwijl de zijstap juist geschikt is voor mensen die makkelijk vanuit het bovenlichaam bewegen.”
Passeerbeweging 2
Doel
het inslijpen van de passeerbewegingen met de tegenstander vóór je, in verschillende richtingen
Organisatie
per tweetal één bal
tweetal staat ongeveer 15 meter uit elkaar (afhankelijk van niveau en leeftijd)
Inhoud
speler met de bal speelt de andere speler aan
hij neemt de bal vooruit aan en zoekt de ‘tegenstander’ op
hij maakt op snelheid een passeerbeweging
de ‘verdediger’ loopt op tempo mee terug zodat de aanvaller acties moet blijven maken en de snelheid hoog moet houden
Methodiek
a het uitspelen van de tegenstander zoek je een andere verdediger op
kriskras over het veld
zorg daarbij steeds voor een andere hoek van benaderen
meer weerstand van de verdedigers (eerst mee teruglopen, later korter op de tegenstander verdedigen en niet meer mee teruglopen)
Coaching
in de bal hangen
-‘Hang in de bal tijdens je dribbel. Tik tik tik en op het juiste moment maak je die beweging die je van plan was.’
tempo
-‘Als je de beweging eenmaal hebt ingezet, is er geen weg meer terug. Dan hou je je tempo hoog.’
vragen
-‘Als je als verdediger niemand hebt, vraag dan om een bal als je iemand ziet.’